Karel van het Reve, Paulien Cornelisse, Pyotr Ilyich Tchaikovsky en Rien Schraagen

Vandaag publiceerde de Volkskrant mijn reactie op de column van Paulien Cornelisse over Tchaikovsky’s muziek:

Geheimen van Tchaikovsky (5 en slot)

Het slot van mijn artikel in het zomernummer van De Nieuwe Muze (lees dat blad!)

Het geheim van Tchaikovsky’s dood

Carnegie Hall, 1892

In november 1893 staat Tchaikovsky op de toppen van zijn kunnen. Zowel in Rusland als internationaal maakt hij furore. ‘You’re the greatest’, roepen de Amerikanen als hij Carnegie Hall komt openen. Zijn Europese tournees hebben succes, de tsaar schenkt hem een jaarlijkse toelage en bezoekt zijn opera’s. Dat jaar componeert hij pianostukken, liederen, het eerste deel van een pianoconcert en zijn Zesde Symfonie, waarvan hij zojuist de première heeft gedirigeerd. Het publiek reageerde aarzelend en verbaasd, maar de componist weet zeker: dit is het beste wat ik ooit gecomponeerd heb. Het gaat geweldig, maar bij zo veel applaus is de gapende afgrond enorm:

“Was er iemand die begreep hoe moeilijk het was om jezelf te eve­naren? Met mijn Zesde Symfonie had ik de top van de Olympus bereikt, dat wist ik zeker. Hoger dan de top kon je niet reiken, dat zouden de goden niet toestaan. Alles wat ik hierna nog zou componeren was op z’n best even goed, en waarschijnlijk slechter.” [1]

In 1890 had Nadeshda von Meck afscheid van hem genomen. Pas toen het te laat was, besefte Tchaikovsky dat hij de vrouw met wie hij zich aanvankelijk ‘zo oneindig ver­trouwd voelde, zo grenzeloos samen’, had verwaarloosd en verruild voor een andere minnares: de muziek. De schok van het afscheid was groot:

“Het leven was voorbijgeraasd als een sneltrein. Ik had op het perron gestaan en de trein gemist waarin Nadeshda Filaretovna mij gewenkt had en verlangend naar mij had gekeken tot mijn gestalte op het perron achter de horizon ver­dween. Als een brave jongen had ik haar brieven beantwoord en gedacht dat ik daarmee mijn dankbaarheid toonde, en dat het genoeg was.”[2]

In de jaren daarna kwam Tchaikovsky de schok van het afscheid niet meer echt te boven. In de loop van 1893 raakt hij steeds meer ontheemd en wordt een kluizenaar die geïsoleerd raakt van zijn vrienden en familie.

“De stilte daalde in mij neer als stof en verstopte de poriën, bedekte de oog­leden, verflenste de kleuren. Kwam het doordat mijn symfonie in stilte eindigde? Of had ik dat gedaan omdat de stilte mij al geruime tijd omsingelde? Ik voelde mij onevenwichtig, ik was uit balans geraakt, waardoor de stilte haar kans schoon zag. Zij sloop dichterbij, nam de overhand en infecteerde mijn dagen, mijn ge­sprekken, mijn bestaan.”[3]

Naast zijn isolement en de immer aanwezige twijfel aan zichzelf als componist, steekt overal om hem heen jaloezie de kop op. Die speelt een grote rol bij zijn dood. Als een vreselijke, verwoestende worm vreet de jaloezie aan Mily Balakirev: componist die nauwelijks meer iets componeert, ooit leider van het Machtige Hoopje (met Mussorgsky, Rimsky-Korsakov, e.a.) en zelfbenoemde vriend en mentor van Tchaikovsky. Hij stimuleerde hem tot het componeren van meesterwerken als Romeo en Julia en de Manfred-symfonie. Maar Balakirev is dwingend, dominant en egocentrisch, en Tchaikovsky maakt zich steeds meer van hem los. Terwijl Tchaikovsky steeds beter en beroemder wordt, dreigt Balakirev in de vergetelheid te raken, terwijl ook hij beroemd had kunnen zijn.

Mily Balakirev

“‘Wat wil je van mij’, zeg ik fel. ‘Wat ben ik voor jou? De vervulling van wat jij had willen zijn? Ben je jaloers op mij?’

‘Jaloers?’ Balakirev gromt afkeurend en schudt zijn hoofd. ‘Jij komt hoog­stens in de buurt van Beethoven of Glinka. Pyotr Ilyich Tchaikovsky hoort niet thuis tussen de allergrootsten.’” [4]

Ook zijn ooit zo veilige familie koestert een felle jaloezie tegen Tchaikovsky, die een sterke familieband heeft met zijn neef Bob, de zoon van zijn zwager Lev Davydov.

‘Vanaf Bobs geboorte deed je net of hij jouw zoon was in plaats van de mijne’, zei Davydov.

‘Dat gevoel had ik. Maar ik heb jou nooit je vaderschap betwist!’

‘Bob aanbidt jou en jij ziet hem vaker dan ik. Je ontsteelt een vader zijn zoon – begrijp je niet hoe je mij daarmee ver­nedert?’”[5]

Met Bob Davydov, juni 1892

Het zou te ver voeren om de dood van Pyotr Ilyich hier in geuren en kleuren uit de doeken te doen. Duidelijk moge in elk geval zijn dat als woede en wraak een huwelijk aangaan, wreedheid hun dochter wordt, zoals een Russisch spreekwoord zegt. Tchaikovsky is ‘gezelfmoord’: hij werd gedwongen om vergif in te nemen.

“Als een wandelende dode loop ik over straat. Ik sluit de deur van het trapportaal. Het rumoer van de straat valt weg, de stilte daalt neer, mijn metgezel van de afgelopen maanden. Maar dat was de stilte van de kluizenaar. Nu wacht mij de stilte van de dood.”[6]

Natuurlijk zijn er geen bronnen die deze dood kunnen bevestigen. Maar dat is mijn schone taak als schrijver: op grond van de bekende gegevens een verloop schetsen dat aannemelijk is. Of zoals musicoloog Leo Samama op de achterflap van de roman zegt: ‘Wat de dood van Tchaikovsky betreft: het zou zomaar waar kunnen zijn!’


[1] ‘De dood van Pyotr Ilyich’, blz. 613

[2] ‘De dood van Pyotr Ilyich’, blz. 494

[3] ‘De dood van Pyotr Ilyich’, blz. 610

[4] ‘De dood van Pyotr Ilyich’, blz. 632

[5] ‘De dood van Pyotr Ilyich’, blz. 625

[6] ‘De dood van Pyotr Ilyich’, blz. 637

Geheimen van Tchaikovsky (4)

Het vervolg van mijn artikel ‘Geheimen van Tchaikovsky’ in De Nieuwe Muze’, nr. 3

Het geheim van Tchaikovsky’s seksuele voorkeur

Hoe interessant of belangrijk is het om de seksuele voorkeur van een kunstenaar te kennen? Maakt dat zijn werk begrijpelijker? Tchaikovsky zelf zou dat ontkennen, een kunstenaar leidt immers een dubbelleven. En bestaat er überhaupt homoseksuele of heteroseksuele muziek?

Meer nog dan bij de meeste componisten is Tchaikovsky’s werk verstoord en aangetast door een overdosis aandacht voor zijn persoonlijke en intieme leven. Wat is het belang daarvan? In mijn roman stelt Tchaikovsky de vraag: ‘Is een portret beter als we de geliefde van de schilder erin herkennen? Wordt de roman aangrijpender als de schrijver zelf een tragische jeugd heeft gehad?’

De laatste jaren komen steeds meer brieven van Tchaikovsky naar buiten die refereren aan seksuele avonturen. Zie je wel, roepen de kenners, we hadden het al gezegd en nu krijgen we het bewijs: Tchaikovsky was homoseksueel. Opvallend is dat met name de homoseksuelen onder hen zich daar sterk voor maken (zoals de vooraanstaande Tchaikovsky-biograaf Alexander Poznansky, de Kolja-auteur Arthur Japin en de regisseur Stefan Herheim, die de opera Pique Dame door 40 homoseksuele Tchaikovsky’s liet verstoren), maar dit terzijde.

Daar zijn wel enkele kanttekeningen bij te maken. In de eerste plaats schreef Tchaikovsky in 1888 aan Nadeshda von Meck: ‘Ik denk dat brieven nooit helemaal oprecht zijn, zeker als ik naar die van mijzelf kijk. Wie ik ook schrijf en waar het ook over gaat, ik ben mij bewust van de indruk die de brief zal maken, niet alleen op de ontvanger, maar ook op andere toevallige lezers.’ Soms schreef Tchaikovsky brieven op rijm, in het Kerkslavisch of alsof hij stomdronken was. Ik wees al eerder op zijn bijzondere gevoel voor humor.

In de tweede plaats zijn er verschillen in tijd en cultuur. Het verbaasde Tchaikovsky dat Amerikaanse mannen elkaar niet kussen bij de begroeting, wat in Rusland gewoon was. Ook zijn we geneigd om naar het verleden te kijken door de bril van het heden. In onze tijd zien we eerder de verschillen dan de overeenkomsten als we een ander ontmoeten. We delen mensen in naar seksuele voorkeur (de afkorting lhbti maakt dat maar al te duidelijk) en het een sluit het ander uit: een heteroman kan geen warme gevoelens koesteren voor een man, want dan zou hij homo zijn, of desnoods biseksueel.

In de kringen waarin Tchaikovsky verkeerde, hielden mensen van elkaar als mensen. Daar moeten we ons dus een andere voorstelling van maken – een voorstelling in die tijd, in dat milieu, in die beweging tussen mensen. Tchaikovsky hield van mensen, niet gekoppeld aan man of vrouw. En dan kun je iedereen kussen, of het nu een man of een vrouw is, zonder dat je iets hoeft of moet. Bedenk ook dat Tchaikovsky een kunstenaar was en viel op sierlijkheid: in het lichaam van een mens zocht hij de schoonheid en de toonsoort.

De roman doet hier geen uitspraken over. Vanzelfsprekend niet, een roman moet geen polemieken voeren, maar het leven verbeelden, verhalen vertellen. Daarom citeer ik in dit kader twee fragmenten. Het eerste gaat over een ontmoeting met Joseph Kotek, een student van Tchaikovsky:

“Terwijl ik zijn hand vasthield, urenlang, zo leek het, woedde er een hartstocht in mij met een onvoorstelbare kracht. Samen leken wij op te stijgen en te zweven boven bloeiende steppen in een stra­lende zon.

Nog lang was ik onder invloed van deze ontmoeting. Ik leek wel verliefd, maar dan was het een liefde die haar hoogtepunt niet vond in de licha­melijke vereniging, maar in een harmonisch universum waarin alles samenkwam: muziek, hartslag, gewichtloosheid, vrede. ” [1]

En dit citaat gaat over Nadeshda von Meck:

“Het bed werd langzaam warm van onze lichamen, die zich verlangend naar elkaar toekeerden, maar met de ingehouden hartstocht van een man van bijna veertig en een vrouw die achttien kin­deren heeft gebaard. Ik kan geen mannenlichaam meer verdragen, had zij gezegd, maar dit tedere treffen had geen hoogtepunt nodig om samen naar de zevende hemel te kunnen zweven, zonder gedachten, zonder voorbehoud, twee mensen die elkaar behoedzaam liefhadden, even niet alleen. ” [2]


[1] ‘De dood van Pyotr Ilyich’, blz. 109

[2] ‘De dood van Pyotr Ilyich’, blz. 284

Geheimen van Tchaikovsky (3)

Het vervolg van mijn artikel ‘Geheimen van Tchaikovsky’ in De Nieuwe Muze’, nr. 3

Het geheim van Tchaikovsky’s mecenas

Nadeshda von Meck

Veertien jaar lang schreven de Russische componist Pyotr Ilyich Tchaikovsky en zijn weldoenster Nadeshda von Meck elkaar brieven. Volgens de biografen hebben zij elkaar nooit ontmoet, maar is dat wel zo? In mijn roman neemt de geschiedenis een andere wending.[1]

Natuurlijk, in een van haar eerste brieven schrijft madame Von Meck: ‘Nu ik steeds meer door u gefascineerd raak, ben ik bang u te ontmoeten. Ik voel dat ik niet in staat zal zijn om met u te praten.’ Maar Tchaikovsky voelt een onweerstaanbare aantrekkingskracht: ‘Is het mogelijk dat er iemand op de wereld rondloopt met wie je dezelfde grondtoon deelt, samenvalt, zonder uitleg, woordeloos?’ Hij overwint zijn schroom en belt bij haar aan. De ontmoeting is voor beiden een diepgaande ervaring: ‘Dit was de wereld, hier kwam alles samen, wij tweeën vormden het uni­versum. Het was heerlijk en ondragelijk tegelijk.’  

Al bij de eerste ontmoeting is het duidelijk: deze mensen vormen een twee-eenheid, zijn twee gelijkgestemde zielen die zich laven aan elkaar, die niet uitgepraat raken, elkaar in de ruimte zetten. Maar stel dat de pers lucht krijgt van de opmerkelijke liaison tussen de rijke weduwe Von Meck en de bekende componist Tchaikovsky? Daarover gaat de volgende dialoog:

‘Wat is er tegen om de geschiedenis wat te veranderen?’ vroeg ze uit­dagend.

‘Geschiedvervalsing?’

‘Welnee. We schrijven elkaar brieven. Die worden later vast en zeker gelezen, gepubliceerd wellicht. Dat vind ik ook niet erg: iedereen mag weten wat wij elkaar te zeggen hebben. Maar de waarheid is vaak zo rauw. Mensen hebben behoefte aan mooie verhalen, aan mythes…’

Ze stond op en liep naar het raam. ‘Niemand hoeft te weten wat hier zojuist gezegd is. Daar schrijven we niet over.’ Ze draaide zich om en keek mij aan, on­deugend als een kind. ‘Beter nog, we doen in onze brieven net alsof wij elkaar nooit ontmoet hebben.’

‘Een vriendschap op afstand…’

‘Een geheimzinnige vriendschap tussen twee mensen die elkaar wel schrijven, maar niet zien. Die in dezelfde stad wonen, maar elkaar opzet­telijk ontlopen. Dat is toch een prachtig gegeven? Daar zullen de mensen hun hart aan ophalen!’

Ik begon te lachen. ‘Lieve vriendin, dat is een geweldig idee. De wereld zal zich verwonderen over onze buitengewone, unieke, epistolaire vriendschap! Men zal zich laven aan onze gedachtekronkels, onze  tekort­komingen, onze zenuwzwaktes; men zal begrijpen dat twee mensen die zo mensenschuw zijn, zelfs elkaar niet willen ontmoeten. We zetten de we­reld een sprookje voor!’[2]

Kan het zo zijn gegaan? Tchaikovsky en Von Meck inspireerden elkaar en hadden beiden een speciaal gevoel voor humor, dus waarom niet? In ‘De dood van Pyotr Ilyich’ vormt hun relatie een belangrijke rode draad, en neemt Nadeshda von Meck na veertien jaar afscheid van hem omdat hij zijn werk belangrijker is gaan vinden dan haar. Een even dramatisch, maar veel plausibeler einde dan de gangbare verklaring (Von Meck zat aan de grond). Overigens stelt dit fragment een fundamentele vraag aan de wetenschap: hoe betrouwbaar zijn schriftelijke bronnen eigenlijk? Wat een opschudding kan dit gegeven veroorzaken in de wereld van de geschiedenis en de musicologie!


[1] Mijn boek is geschreven als een ik-roman vanuit het perspectief van Tchaikovsky; dus het gaat over hem als u in de citaten ‘ik’ leest.

[2] ‘De dood van Pyotr Ilyich’, blz. 178

Geheimen van Tchaikovsky (2)

Het tweede deel van mijn artikel ‘Geheimen van Tchaikovsky’ in De Nieuwe Muze van mei 2019 (lees dat blad!)

Het dubbelleven van de kunstenaar

Maar eerst een poging om te verklaren waarom de enorme hoeveelheid verkeerde informatie, speculatie en mythe over Tchaikovsky zo hardnekkig blijft bestaan. Een radio 4-presentator vertelde mij dat hij bij het samenstellen van programmatoelichtingen put uit een database van bestaande commentaren. Tijd om zelf onderzoek te doen of nieuwe inzichten te verwerven, heeft hij niet.

Liefdesthema uit ‘Romeo en Julia’

Daardoor maken mythes een voortdurende rondedans. Die wordt nog problematischer vanwege de schijnbaar onuitroeibare gewoonte om een overeenkomst te zien tussen het persoonlijk leed of geluk van de componist en de vermeende uiting daarvan in zijn werk. Zo werd onlangs nog verteld dat Tchaikovsky zijn orkestouverture Romeo en Julia componeerde om liefdesverdriet van zich af te schrijven –  zijn verloofde trouwde onverwacht met een ander. Tchaikovsky zelf heeft uitgelegd dat mensen het bij het verkeerde eind hebben “als ze denken dat de scheppende kunstenaar zijn kunst kan gebruiken om uit te drukken wat hij op dat moment voelt. Emoties van vreugde en verdriet verwerkt hij altijd retrospectief (…) Onder vrolijke omstandigheden kan ik iets componeren dat doordrenkt is van somberte en hopeloosheid (…) De kunstenaar leidt een dubbelleven: zijn dagelijks leven én zijn artis­tieke leven, en die lopen meestal niet parallel.”[1]


[1] Uit een brief van Tchaikovsky aan Nadeshda von Meck, 1878

Geheimen van Tchaikovsky (1)

In het prachtige muziekblad ‘De Nieuwe Muze’ verschijnt deze maand een artikel van mijn hand, getiteld ‘Geheimen van Tchaikovsky’. Dit is de inleiding:

“Tchaikovsky als treurdichter, melancholisch en weemoedig, kennen we allemaal. Maar er is nóg een Tchaikovsky: vriendelijk, gelukkig, blakend van gezondheid, humoristisch, met een onuitputtelijke voorraad dansmelodieën.”

Dat schreef Herman Laroche, muziekcriticus en vriend van Pyotr Ilyich, in 1890 bij de première van het ballet Doornroosje. Hij verwoordt hier heel mooi wat ik al vermoedde sinds ik mij jaren geleden met Tchaikovsky ging bezighouden, namelijk dat de Russische componist ten onrechte vaak wordt afgeschilderd als een homoseksuele gekke Rus die voortdurend balanceert op de grens van een zenuwinzinking.

1892 – Tchaikovsky poseert voor Ilya Gintsurg

Naarmate ik meer over Tchaikovsky las en naar zijn muziek luisterde, kwam ik tot de overtuiging dat hij ver uitstijgt boven deze karikatuur. Daarom besloot ik na 25 jaar studie om een roman over Tchaikovsky te schrijven, die enkele jaren geleden het licht zag onder de titel ‘De dood van Pyotr Ilyich’. Daarin haal ik hem van zijn besmeurde voetstuk en reis persoonlijk met hem mee door zijn leven, zoals een lezer van mijn roman het benoemde. Gerard Reve schreef: “De opdracht van de kunst, in de zin van wat men van haar mag eisen, is duiding van de werkelijkheid.” Ik schrijf dit artikel niet als historicus of musicoloog, maar als romanschrijver die de werkelijkheid van Tchaikovsky’s leven en sterven probeert te duiden. En is het bij een historische roman ook niet de taak van de schrijver om de open plekken van de geschiedschrijving, in dit geval de ‘geheimen van Tchaikovsky’, in te vullen?

Een heel bijzondere vriend

Het is Mozart-week op Radio 4. Dat zou Tchaikovsky groot plezier hebben gedaan, want hij was gek op Mozart. In de zomer van 1886 bezoekt hij de Franse zangeres Pauline Viardot, die in het bezit is van Mozarts handschrift van de opera Don Giovanni.

‘Over jouw beste vrienden gesproken: er is hier in huis een heel bij­zondere vriend van je.’ Ze stond op, wenkte en voerde mij aan haar arm naar een tafel waar een met koper beslagen kistje stond. Voorzichtig tilde ze er een stapel boeken uit en legde ze voor mij neer.

Ik las:

Don Giovanni
Opera en deux actes
de
W.A. Mozart

Voorzichtig sloeg ik het eerste boek open en geloofde mijn ogen niet. Ik zag de handgeschreven partituur van Mozart zelf. Dankzij Don Giovanni had ik de muziek leren kennen! Een duizeling beving mij. De omgeving vervaagde, Pauline Viardot fluisterde dat ze mij alleen liet en verliet de kamer, maar ik merkte het niet want ik stond oog in oog met het hand­schrift van mijn liefste componist. Voorzichtig streek ik met mijn vinger­toppen over het papier, mijn hand zweefde boven de eerste noten en ik hoorde het orchestrion, alsof ik nog klein was en in de huiskamer adem­loos luisterde naar Mozarts aria’s, voortgebracht door dat zwoegende mechanische orgel dat ik steeds maar weer opnieuw deze muziek liet spelen omdat ik daar zo licht van in mijn hoofd werd. Mijn hand volgde de notenbalken, ik sloeg de bladzijden om alsof zij van breekbaar kristal waren en dwaalde rond in de wereld van Wolfgang Amadeus, bekeek ademloos de noten, die niet alleen de toonhoogte aangaven, maar ook de vreugde en het verdriet, de onschuld en de verleiding, het leven en de dood.

De eerste maten van Don Giovanni

‘Mijn god,’ prevelde ik terwijl de muziek van de bladzijden rolde, ‘met hoeveel liefde en hartstocht heb je dit geschreven?’

‘Elke opera is een vrouw die je hartstochtelijk moet beminnen’, fluis­terde de partituur en ik had het gevoel dat Mozart zelf naast mij stond, zijn hand op mijn arm legde en aanwees waar hij had gezwoegd, geploe­terd en, uiteindelijk, getriomfeerd. Don Giovanni vond ik zijn mooiste opera.

De vader van Donna Anna, Il Commendatore, wordt gedood door Don Giovanni. Aan het slot komt het standbeeld van de Commendatore tot leven om de losbandige edelman te straffen. Hij sleept hem naar de hel en dat was te zien: de noten spatten met grote heftigheid van het papier. Zo wil ik ook componeren, dacht ik, heftig en onontkoombaar; het verschil tussen de zangers op het toneel en de mensen in de zaal moet verdwijnen, elke toeschouwer moet de kou in zijn botten voelen, de ont­zetting in zijn hart, de gruwel van een einde zonder genade.

‘Doe het,’ spraken de noten mij toe, en Wolfgang Amadeus streek met Zijn hand over mijn rug, bewoog Zijn mond naar mijn oor en fluis­terde: ‘Muziek vermag alles’.

Met trillende handen sloot ik het laatste van de zeven boeken. Zeven, was dat niet een magisch, een goddelijk getal? Ik voelde mij vervuld en schoon. Het leek of iemand de gordijnen opende aan het begin van een stralende dag, zodat het zonlicht gul de kamer binnenstroomde en de jongen die ik ooit was (en misschien wel altijd bleef) zich verheugde op een dag vol beloftes. Hoe lang had ik hier gestaan? Pauline stond naast mij in haar glanzende zijden jurk en glimlachte.

Pauline Viardot

‘Ik…’ Mijn stem haperde. ‘Zeg maar niets’, zei ze zacht. ‘Kom, we gaan naar de eetkamer, het déjeuner staat voor ons klaar.’

Mijn povere drie kwartetjes

Gisteren was Tchaikovsky ‘jarig’ en zou 179 jaar geworden zijn.

In ‘De dood van Pyotr Ilyich’ denkt hij op zijn 43ste verjaardag:

“Jarig! Drieënveertig jaar oud, en nog zo weinig gepresteerd. Wat symfonieën, een paar opera’s zonder veel succes, kamermuziek, liederen – ach, bij elkaar opgeteld leek het heel wat en de mensen klopten mij dan ook in groten getale op de schouders tot die er beurs van werden. Maar mijn eerste meesterwerk moest nog komen. Mozart was al dood voor zijn veertigste en had toen vijfentwintig strijkkwartetten geschreven. Vijfentwintig! Waar bleef ik met mijn povere drie kwartetjes? Wolfgang Amadeus componeerde vijf vioolconcerten binnen twee jaar, ik was er al blij met één, dat bovendien onspeelbaar werd geacht en pas na vier jaar zijn première beleefde.”

“Meesterwerk”

“Vanmorgen las ik de laatste, zo dramatische bladzijden van ‘De dood van Pyotr Ilyich’. Wat een meesterwerk!”
Is het toeval dat ik alleen maar enthousiaste reacties krijg op mijn Tchaikovsky-roman? Natuurlijk, als je het boek niet uitleest, of er niets aan vindt, zal je niet zo gauw reageren. Maar de reacties díe ik krijg, zijn wel opvallend eenduidig.
“Het verhaal van Tchaikovsky ging me steeds meer boeien naarmate ik vorderde in dit dikke boek, dat ik in 21 dagen uitlas. Zo’n 30 bladzijden per dag, dat zegt veel, lijkt mij. Dank dus voor dit grootse werk, waardoor ik nu ook bewuster naar Tchaikovsky’s muziek kan luisteren.”

Dagboek van Tchaikovsky (1887)

Moeder de vrouw 2

In 1877 verblijven Tchaikovsky en zijn broer Anatoly in een hotel in Venetië. Ook daar is moeder de vrouw.

De avond valt over Venetië in de mist

‘Morgen gaan we naar Wenen’ zei Anatoly. ‘Van daaruit reis ik naar Rus­land.’

‘Ik weet het’, zei ik. ‘Ik zie ertegenop om afscheid van je te nemen. Het is zo vertrouwd met jou; ik weet niet of ik al zonder je kan.’

‘Ik denk dat je het kunt. Wees moedig, Petya!’

Ik glimlachte verbaasd. ‘Dat zei moeder ook toen ze mij naar Peters­burg bracht en afscheid van mij nam. Ik was tien jaar en ging naar de Rechtsschool. Ze stapte in een rijtuig en reed weg uit mijn leven. Ik ben gestorven van verdriet.’

‘Modest zegt dat je je vastklampte aan moeder, dat ze je los moesten trekken en dat je toen nog achter de koets aan bleef rennen.’

‘Zegt hij dat?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee Tolya, zo’n kind was ik niet. Ik heb niets gezegd, niets gedaan. Wat Modest vertelt, gebeurde in mijn hoofd. Ik had moeder vast willen pakken om haar nooit meer los te laten, ik wilde zo sterk zijn dat ik de koets kon optillen, zodat zij niet weg kon rijden. Maar niemand heeft wat gemerkt, ik heb geen traan gelaten. Ik voelde een diep verdriet, alsof ze dood ging. Vier jaar later stierf ze. Toen pas wist ik wat dood zijn echt betekent.’

We keken elkaar aan, zoons van dezelfde moeder. Hoe zou ons leven er nu uitzien als zij nog had geleefd? Zou Anatoly dan nog zo onzeker zijn over zichzelf? Zou ik mij dan nog zo blindelings in een schijnhuwelijk hebben gestort?

‘Ik heb het gevoel dat ze hier is’, zei Anatoly schor. Het werd heel stil in de kamer. We stonden roerloos naast elkaar. Tolya pakte zijn zakdoek en depte zijn ogen. Ik sloeg mijn armen om hem heen. Hij begon te snikken, steeds heftiger, zijn schouders schokten van verdriet om de moeder die uit zijn leven verdween toen hij een kleuter was. De maan keek naar binnen en drapeerde haar licht over onze schouders.