Zijn Beroemde Mensen mensen?

Grofweg kun je twee groepen lezers van ‘De dood van Pyotr Ilyich’ onderscheiden. De ene DrsP-over-het-boekgroep weet niet zo veel van het leven van Tchaikovsky. Deze lezers laten zich makkelijk meevoeren door het verhaal en reageren vaak enthousiast: ‘Heel veel dank voor een heel mooi boek’, ‘Het boek leest heerlijk!’
De tweede groep bestaat veelal uit kenners, musicologen en anderen die zich echt in Tchaikovsky hebben verdiept. Zij erkennen de kwaliteiten van het boek, maar maken vaak bezwaar tegen de ‘ontheiliging’ van zo’n grote, geniale componist.
Zo is er bijvoorbeeld een lezer die het onoverkomelijk vindt dat het boek in de ik-vorm is geschreven. Hij schrijft: “Juist omdat wij al dat materiaal van Tchaikovsky zelf al hebben, vind ik het een brug te ver om daaraan nog fictief materiaal in de ik-vorm toe te voegen.”
Voor deze groep lezers citeer ik een uitspraak van Tchaikovsky uit 1879:

“Als we grote en beroemde mensen intiem, chez-soi, leren kennen, komen ze van het voetstuk af waarop wij ze in onze verbeelding hebben geplaatst, en blijken ze precies dezelfde sterfelijke wezens te zijn als wij arme zondaars.”

Pyotr Ilyich Tchaikovsky, 1879

Dit is precies wat ik met mijn boek beoogd heb: Tchaikovsky te bevrijden van zijn voetstuk en met hem mee te reizen door zijn leven.

Advertenties

Er zijn geen feiten (2): Waarom Tchaikovsky niet ter dood werd veroordeeld door een eretribunaal

Hoe de praatjes in de wereld komen

In ‘De dood van Pyotr Ilyich’ vertelt Tchaikovsky aan een vriend het volgende (historische) verhaal:

‘Er overkwam mij iets raars op die boot op de Wolga, waar gelukkig niemand mij herkende. Ik was aan de praat geraakt met een jonge conservatoriumstudente, die op de muziekavond aan boord een romance van Tchaikovsky wilde zingen en vroeg of ik haar op de piano wilde begelei­den. Toen we een tijdje aan het repeteren waren, zei ze: ‘U speelt het niet goed. U moet het heel anders spelen. U begrijpt de muziek niet.’ Ik vroeg haar hoe ze dat zo zeker wist. En weet je wat ze zei? ‘Van mijn pianole­raar; hij heeft het lied bij Tchaikovsky zelf ingestudeerd.’ Stel je voor, ik heb de beste man nog nooit gezien!’

Een eeuw vol geruchten

Op 16 oktober 1893 (Russische kalender), negen dagen voor zijn dood, dirigeerde Tchaikovsky zijn Zesde Symfonie in Sint Petersburg. Het publiek reageerde bevreemd. Wat een verschil met de tweede uitvoering, twee weken na zijn dood! Het publiek dacht in de muziek niet alleen zijn eigen requiem te horen, of een voorspelling van zijn eigen ophanden zijnde dood, maar zelfs een tragische beslissing om zich van het leven te beroven, geboren vanuit een ontroostbare wanhoop. Een enorme verzameling bizarre en elkaar tegensprekende geruchten begonnen te circuleren, tot vandaag aan toe. De meeste geruchten waren afkomstig uit dezelfde bron: de artistieke of semi-artistieke bohemienkringen van Petersburg en Moskou. Een milieu met een bijzondere combinatie van bekrompen burgerlijkheid en losbandigheid en buitengewoon geneigd tot allerlei soorten roddel en echt of vermeend psychodrama. Dat schrijft Alexander Poznansky, een vooraanstaande Tchaikovsky-biograaf die ik in dit artikel citeer als ik aannemelijk vind wat hij beweert.

Kleindochter van een jongere zuster van de vrouw van de broer

In de loop van de 20e eeuw verschijnen steeds meer publicaties met één gemeenschappelijk kenmerk: het verhaal komt van een kennis van een neef van de buurman van… Het Engels heeft daar een mooi woord voor: ‘hearsay’ – geruchten dus, je hebt het van horen zeggen, en hoe betrouwbaar is dat? Een mooi voorbeeld uit 1940: “Ik sprak met een prominent arts, een leerling van Lev Bertenson, die zei dat de oorzaak van Pyotr Ilyich’s dood vergif is geweest en dat Bertenson zelf hem dat verteld heeft en zei dat hij met cholera de werkelijke doodsoorzaak verhulde.” Alexandra Orlova, een Russische musicologe die Rusland in 1979 verliet, vertelt dat ze in 1966 spreekt met Alexander Voitov (waar overigens geen geluidsopname of ondertekende verklaring van bestaat, dus hoe geloofwaardig is Orlova?), die met het inmiddels beroemde verhaal komt over de ereraad van de Rechtsschool die Tchaikovsky dwingt om zichzelf van het leven te beroven om een schandaal te voorkomen.

Wat vertelde Voitov volgens Orlova?

Tchaikovsky zou (te) veel aandacht geschonken hebben aan de jonge neef van graaf Stenbock-Fermor. De graaf schreef een verontwaardigde brief aan de tsaar en overhandigde die aan Nikolay Jacobi, procurator aan het Hof van Beroep, om hem aan de tsaar te geven. Als deze kwestie in de openbaarheid kwam, zou dat schande brengen over de Rechtsschool en alle studenten die daar dertig jaar geleden samen met Tchaikovsky studeerden, vond Jacobi. Hij wilde dat vermijden, hield de brief bij zich en vormde een ereraad van zo veel mogelijk oud‑studenten die samen met Tchaikovsky hadden gestudeerd. Hij nodigde hen bij hem thuis uit, inclusief de componist zelf. De vrouw van Jacobi zat met haar naaiwerk in de kamer naast de studeerkamer van haar man. De bijeenkomst duurde vijf uur, waarna Tchaikovsky bleek en geschokt en zonder een woord te zeggen het huis verliet. Jacobi vertelde zijn vrouw dat de dood van de componist de enige legale manier was om de brief achter te houden. Twee dagen later verspreidde het nieuws over Tchaikovsky’s fatale ziekte zich door Sint Petersburg.

“De hele waarheid”?

Voitov, die zeventig jaar is als Orlova hem in 1966 spreekt, zegt dat hij dat verhaal in 1913 heeft gehoord van de vrouw van de dan al overleden Nikolay Jacobi. Hij was toen leerling van de Rechtsschool, 17 jaar oud, en beweert dat Jacobi’s weduwe ‘onder grote geheimhouding’ haar verhaal doet dat haar al zo lang kwelt. Opmerkelijk: ze wil ‘de hele waarheid’ vertellen “omdat het zo’n droevige bladzij is in de geschiedenis van de school” (de droevige laatste bladzij van Tchaikovsky’s leven was blijkbaar niet belangrijk). Dan duurt het nog eens tot 1980 voordat Orlova dit verhaal wereldkundig maakt.

In 1989 bevestigt Natalya Kuznetsova-Vladimova, kleindochter van een jongere zuster van de vrouw van Tchaikovsky’s oudste broer, in een brief aan Orlova het eretribunaalscenario. Is dat verhaal een bevestiging vanuit een tweede, op zichzelf staande bron? Dat is maar de vraag. Vreemd is in elk geval dat haar brief zowel in het Engels als in het Russisch werd gepubliceerd, met aanzienlijke verschillen tussen de twee. Zo worden Jacobi, de Steinbocks of de ereraad in de Russische versie helemaal niet genoemd en verschillen de bronnen in de twee versies.

De eer van de Rechtsschool

Poznansky: “De Rechtsschool was in geen enkel opzicht een bastion van morele rechtschapenheid, zoals de aanhangers van samenzweringstheorie het willen doen geloven. Allerlei puberachtige losbandigheid tierde er welig. We hebben een obsceen gedicht dat de homoseksuele vreugden bezingt, geschreven door studenten van de Rechtsschool, dat is gepubliceerd in een gelimiteerde editie van Russische pornografische poëzie in 1879, met de aantekening dat de hymne zeer in zwang was binnen de muren van de School.”

Nog meer verhalen

Er doen nog veel meer verhalen over Tchaikovsky’s dood de ronde, zoals deze versie: Alexander III liet de componist kiezen: standrecht wegens sodomie of zelfmoord. Tchaikovsky vergeleek zichzelf quasi-zielig met Socrates en koos voor een licht gewijzigde versie van dezelfde waardige dood. De tsaar gaf hem de keus tussen een revolver en een ring gevuld met arsenicum. De componist miste de durf voor de revolver en ledigde het vergif in een laatste glas wijn. In 1993 hoorde biograaf Anthony Holden in St. Petersburg zelfs het verhaal dat Modest zijn broer had vergiftigd vanwege het roven van zijn minnaar.

Prominenten en de doofpot

Volgens het Russische strafrecht kon je in 1890 naar Siberië worden verbannen en al je rechten verspelen als je homoseksueel was. Maar “er kan geen twijfel over bestaan dat er in Rusland een grote (en groeiende) kloof tussen theorie en praktijk bestond”, schrijft Poznansky (overtuigd van Tchaikovsky’s homoseksualiteit, waarover later meer in ‘Er zijn geen feiten deel 3’). De onderdrukking van homoseksuelen was uiterst selectief: “Personen met een sterke maatschappelijke positie en veel invloed en connecties werden niet vervolgd. In de hele 19e eeuw is er geen enkel min of meer prominent persoon vervolgd voor homoseksualiteit.” Dit zien we bijvoorbeeld in 1887 als er een schandaal uitbreekt rond prins Meshchersky, een zeer invloedrijk man aan het hof van de tsaar, die bekend stond als de ‘prins van Sodom en burger van Gomorra’. Hij werd openlijk aan de schandpaal genageld toen hij uitermate veel aandacht besteedde aan een jonge trompettist in de keizerlijke garde, maar tsaar Alexander III koos zijn zijde en het schandaal verdween in de doofpot. Over groothertog Aleksandrovich, broer van de tsaar en openlijk homoseksueel, schreef een dagblad: “De groothertog is in Parijs aangekomen met zijn maîtresse, de heer …” Tchaikovsky was bevriend met Meshchersky en stond op goede voet met de groothertog.

Tchaikovsky was onaantastbaar

Vier factoren maakten de positie van Tchaikovsky volgens Poznansky onaantastbaar:

  1. Hij behoorde tot de geprivilegieerde klasse, was conservatief en steunde de regering.
  2. Hij gedroeg zich behoedzaam, vermeed excessen en was tactvol en discreet. Daardoor zou een eventueel schandaal als gevolg van een enkel onfortuinlijk incident worden voorkomen.
  3. In 1893 was Tchaikovsky wereldberoemd, onder andere dankzij zijn Amerikaanse tournee en zijn eredoctoraat in Cambridge. In Rusland werd hij geadoreerd door alle lagen van de bevolking, van het hof tot de man in de straat. Alleen dat al garandeerde zijn veiligheid, vooral in Rusland, waar het buiten hangen van iemands vuile was ernstig werd afgekeurd. De geringste verdachtmaking van Tchaikovsky zou een uitbarsting van publieke verontwaardiging teweeg hebben gebracht.
  4. Bovendien had hij sterke en machtige connecties aan het hof, waar velen hem zeer toegenegen waren, om te beginnen de tsaar, Alexander III, die hem een levenslange toelage van 3000 roebel per jaar had toegekend. Een schandaal rondom Tchaikovsky zou een schaduw over de tsaar werpen als dat niet zou worden verzwegen.

Geen chantage door zelfmoord

Poznansky concludeert: “Zelfs al zou Tchaikovsky betrokken zijn geraakt in een relatie die openbaar gemaakt dreigde te worden – hoewel daar geen bewijs voor is – dan zou het vervolgscenario ver verwijderd zijn van chantage met zelfmoord als inzet. Iedere provocatie betreffende de seksuele neigingen van de componist zou het prestige en de belangen treffen van een hele rij van machtige mensen, tot aan de top van de regeringshiërarchie. Het keizerlijke hof, waar de componist zo veel beschermers had, zou alle mogelijke maatregelen nemen om een aankomend schandaal te onderdrukken als dat noodzakelijk zou zijn.”

Is er nog een derde mogelijkheid?

Interessant is dat elke biograaf maar naar twee mogelijkheden kijkt: cholera of zelfmoord. Drie voorbeelden:

  1. Alexandra Orlova schrijft bij haar presentatie van het ereraadverhaal: “En dus was het geen cholera maar zelfmoord!”.
  2. David Brown schrijft aan het eind van zijn vierdelige biografie over Tchaikovsky: “Er is één onvermijdelijke conclusie (…): Tchaikovsky pleegde zelfmoord.”
  3. Anthony Holden schreef een artikel met de titel: “De dood van Tchaikovsky: cholera of zelfmoord?”

In dit voetspoor zijn talloze artikelen verschenen met slechts een keuze uit twee: cholera of zelfmoord. Wat je meestal tegenkomt over Tchaikovsky schrijft iedereen van elkaar over en dan lijkt het ‘waar’. Blijkbaar zorgt zo’n eenzijdige kijk op de zaak ervoor dat iedereen een derde mogelijkheid over het hoofd ziet, namelijk dat er anderen in het spel zijn. Mijn roman ‘De dood van Pyotr Ilyich’ gaat over ‘de derde mogelijkheid’.

Lees ook deel 1 van Er zijn geen feiten: Waarom Tchaikovsky niet aan cholera stierf

Lelietjes-van-dalen

De lelietjes-van-dalen bloeien weer – de lievelingsbloemen van Tchaikovsky. Hij schreef er zelfs een gedicht over, een tikje hoogdravend, we zullen het u besparen. Nu vooruit, één couplet dan.

Ik haast me naar het bos langs het vertrouwde pad
En zoek jouw witte, wassen bloem, je ranke blad.
Waar is het dat je bloeit in koele ochtenddauw?
Daar ben je! Opgewonden buk ik, pluk ik jou.

Dit schreef hij aan Nadeshda von Meck:Lelietje_van_dalen

Lieve vriendin,

Hou je van bloemen? Ik hou hartstochtelijk van ze, voor­al die in het bos en op het veld bloeien. Het lelietje-van-dalen beschouw ik als de koning van de bloemen; ik ben er gek op!

Zelfs in zijn overpeinzingen komt het lelietje-van-dalen voor:

Ik moest de feiten onder ogen zien: ik werd oud, 44 jaar om precies te zijn, en net als alles in het leven was ik onderhevig aan slijtage. Zelfs de lelietjes-van-dalen verschrompelden en vielen af; het blad, dat een paar weken ge­leden zo frisgroen begon, zag er nu bestoft en oud uit. Ik was mij zeer bewust van de ijdelheid en vergankelijkheid van het leven, maar als ik een wens zou mogen doen, dan zou ik toch niet eeuwig jong willen blij­ven. Iedere leeftijd heeft zijn aantrekkingskracht en zijn goede kanten: ik werd nu, op mijn 44e, overladen met zegeningen, meer dan in mijn jeugd. Daarom vond ik het niet erg om zo oud te zijn als ik was; ook al werd ik 70 of 80, als ik maar gezond zou blijven. Ik wist dat één ding essentieel was: niet bang zijn voor de dood.