De dood

Begraafplaats-PetersburgHet waren emotionele maanden. Eind januari stierf mijn schoonzoon, zomaar, onverwacht, 37 jaar oud. Hij doofde uit, artsen konden niets uitrichten, op een zondagochtend om 10 voor 10 hield zijn hart ermee op. Het was een sombere ochtend, zwaarbewolkt, ik stond op de tennisbaan. Maar precies om 10 voor 10 brak de zon even door. Ik wist toen nog van niets.

Acht dagen later zaten we om het sterfbed van mijn moeder. Ze was al jaren ziek, longemfyseem, met nog maar weinig longinhoud ploeterde zij zich door haar benauwde bestaan. Maar op een maandag in februari, tegen de avond om half zes, blies ze haar verlossende laatste adem uit. Ik was bedroefd, maar blij dat ik bij haar mocht zijn in haar laatste uren. Hier mocht het leven zijn loop hebben, haar leven was af, ze was 86 jaar. Hoe anders dan de verbijsterende ervaring van de dood van mijn schoonzoon!

Tchaikovsky heeft veel mensen waar hij van hield, zien sterven. Zijn moeder toen hij 8 jaar was, aan cholera. Een goede vriend van hem die de hand aan zichzelf sloeg. Het volgende fragment gaat over de dood van zijn vriend en leerling Josef Kotek, de violist die Tchaikovsky’s Vioolconcert niet uit durfde te voeren. Kotek lijdt aan tuberculose en wordt opgenomen in een sanatorium in Davos. Tchaikovsky bezoekt hem daar, spreekt met hem en met de arts. Na een week voelt hij: ik moet naar huis, ik hou dit niet meer vol.

“Zou Joseph Kotek sterven? In elk geval was zijn toestand ernstig; de artsen maakten zich nog meer zorgen over zijn keel dan over zijn longen. Ik gaf hem geld en hielp hem zo veel ik kon, maar na zes dagen had ik het gevoel dat ik zelf zou sterven als ik hier bleef. Ik vertelde Joseph dat ik wilde vertrekken.

‘Ga je weg?’ Bedroefd keek hij mij aan. De hoest liet hem even met rust.

‘Als ik hier langer blijf, ben ik waardeloos voor jou. Als ik wegga, laat ik je in de steek. Wat moet ik doen?’

‘Je moet gaan, Petya. Je hebt me gelukkig gemaakt deze week, ik mag niet meer van je vragen.’ Hij pakte mijn handen. ‘Besef je dat we elkaar nu nooit meer zullen zien?’ Abrupt stond hij op en liep naar zijn viool­kist, pakte zijn viool eruit en wreef haar met lome bewegingen zorgvuldig op, alsof hij haar liefkoosde.

‘Een viool lijkt op een vrouw. Je moet haar liefkozen, strelen en ge­lukkig maken, zodat ze gaat zingen.’ Hij legde de viool onder zijn kin en tokkelde aan de snaren. Toen hield hij haar met twee handen voor zich, kuste het instrument en legde het in de vioolkist. ‘En goed opbergen, zodat andere mannen er niet bij kunnen.’ Hij sloot de kist en keek mij aan. ‘Wil jij hem meenemen? Ik zal hem niet meer nodig hebben.’

‘Maar Joseph, ik speel geen viool…’ Ik begreep dat ik getuige was van een afscheid.

‘Doe ermee wat je wil. Je mag hem houden, als aandenken aan een vriend. Je mag hem ook weggeven aan iemand die haar waard is.’ Hij reikte mij de vioolkist aan. We vielen elkaar in de armen.

Partir, c’est mourir un peu, zeggen de Fransen. Dat je een beetje kunt sterven is het voorrecht van de levenden. Maar hoe moet je afscheid nemen als er geen weerzien meer is? Het laatste wat ik van hem hoorde toen ik zijn kamerdeur sloot, was een heftige hoestbui, gesmoord in een zakdoek.

Terug in Moskou kreeg ik een telegram. Joseph Kotek was dood, ge­storven aan een longontsteking. Dus toch pneumonia. Ik zette zijn viool­kist open op tafel, herlas zijn brieven en huilde.”

Advertenties