De school (slot)

Deel 4 nog niet gelezen? Klik hier

Op 4 februari 1886 schreef Tchaikovsky : “Op maandag 1 februari werd de school, die op mijn initiatief is gestart, geopend. We hebben 28 jongens en meisjes. Ik was bij de opening en vandaag woonde ik alle ochtendlessen bij. Het is duidelijk dat ik de school in m’n eentje zal moeten financieren.”

Ilya-Repin_Vissersmeisjeilya-repin-jongen

Advertenties

De school (4)

Deel 3 nog niet gelezen? Klik hier

vlieger

Er stond een flinke bries. De vlieger trok hard aan het touw en ik moest de klos met beide handen stevig vasthouden. Loslaten zou het verlies betekenen van dit vliegende monster, dat daar hoog in de lucht met wiegende staart stond te trillen in de wind. Egor had mij geleerd hoe ik bij het oplaten rekening met de windrichting moest houden, hoe lang en zwaar de staart moest zijn en welke trucs ik toe kon passen om de vlieger in de lucht te houden. Hij praatte onophoudelijk, niet over het vliegeren, maar over de school.
‘Ik kan niet geloven dat ik nu zal leren lezen en schrijven’, riep hij uit en sprong bijna zijn vlieger achterna, zo uitbundig was hij. ‘Tot nu toe moest mijn vader naar de pope als hij een brief kreeg. Maar nu kan ik hem voorlezen!’
‘Dan moet je het eerst nog wel even leren, jongen’, zei ik, maar niet om hem zijn plezier af te nemen.
‘Ja natuurlijk. Maar zo moeilijk zal het toch niet zijn? Vond u het moeilijk om te leren?’
‘Ik weet het niet meer, Egor. Het is al lang geleden.’

– wordt vervolgd, zie deel 5 (slot) – 

De school (3)

Deel 2 nog niet gelezen? Klik hier

Pyotr Ilyich bespreekt zijn plan met de pope om een dorpsschool te stichten. 

ilya-repin-pope

Ilya Repin

‘Beste pope, is het niet een groot gemis dat ons dorp geen school heeft?’
‘Och,’ zei de pope, ‘het gaat goed met de kinderen. Ze zijn arm, jawel, maar ze lijden er niet onder.’
Dat was waar. Het viel mij steeds weer op dat de dorpelingen er geluk­kig en tevreden uitzagen en nooit klaagden over hun povere lot.
‘Zeker, ze zijn tevreden. Maar wat kunnen ze doen bij droogte en hongers­nood, of na de grote brand van Maidanovo? Ze kunnen geen letter lezen of schrijven.’
De pope sputterde tegen: er was geen geld en de ouders hadden de kinderen nodig op het land. Ik zette mijn laatste troef in.
‘Denk je eens in, beste pope, dat de mensen de Bijbel zouden kunnen lezen… Dan worden ze vast heel godvruchtig!’ Dat maakte indruk en ik probeerde van deze gunstige wending gebruik te maken. ‘Hoeveel geld is er nodig?’ De pope begon te mompelen, bewoog zijn vingers en noemde een bedrag. ‘Als ik voor het geld zorg, geeft de kerk dan toestemming voor een school in het dorp?’ De pope dronk, veegde zijn lippen af, trok zijn gezicht in een grijns en knikte. Ik viel hem om de hals, we namen nog een glas of twee, drie, vier en maakten afspraken over de organisatie en de inrichting van de school. Anderhalf uur later keerde ik terug naar huis, minder vast ter been dan anders op deze tijd van de dag. Ook wist ik niet alle kinderen te ontlopen, maar ik was zo opge­togen, dat ik alle kopeken weggaf die ik in mijn zak had. Nu pas besefte ik dat ik binnenkort in alle rust zou kunnen wandelen als de kinderen op school zaten.

– wordt vervolgd, zie deel 4  – 

De school (2)

Deel 1 nog niet gelezen? Klik hier

Tchaikovsky leert het armoedige Russische landleven kennen op zijn wandelingen rond Maidanovo. Hij ontdekt dat de boerenkinderen niet naar school gaan.

Eine_KopekeMijn wandelingen werden er niet eenvoudiger op. Ik gaf de kinderen van het dorp af en toe wat muntjes, vijftien of twintig kopeke, louter om een glimlach te zien verschijnen op de gezichten van die kleine scharminkels. Maar wat heb ik mij daarmee op de hals gehaald! Het nieuws dat die baardige heer in dat grote huis kopeken uitdeelde, ging als een lopend vuurtje door het dorp en langs de boerderijen. Als ik wandelde, doken er voortdurend kinderen op die mij vragend aankeken en hun hand ophielden. Het bedelen nam zulke grote vormen aan, dat ik steeds meer moeite moest doen om on­gestoord te kunnen wandelen. Ik veranderde het tijdstip, de route, mijn kleding, maar de kinderen hadden mijn trucjes snel door en mijn vrij­heid was meestal van korte duur. Ook volwassenen kregen de smaak te pakken en kruisten mijn pad in de hoop op een paar kopeken.

Een ongeletterde boer
Ik had er natuurlijk mee op kunnen houden om mijn rust te her­overen. Maar laatst kwam ik een leuke jongen tegen, ongeveer zo oud als mijn neef Bob. Hij was bezig met een vlieger, die hoog in de lucht heen en weer deinde op de wind.
‘Hoe heet je?’
‘Egor Tabachok, heer.’
‘Mooie vlieger!’
‘Zelf gemaakt, heer.’
‘Mag ik hem eens vasthouden?’ Egor overhandigde mij de klos touw. De wind viel wat weg en de vlieger begon te dalen.
‘U moet de klos op en neer bewegen!’ riep hij en deed de beweging voor. Ik deed hem na en tot mijn verbazing klom de vlieger weer om­hoog. We raakten aan de praat. Egor woonde in het dorp, werkte mee op de boerderij van zijn ouders en trok ’s avonds met zijn vrienden door de velden. Het leek mij een intelligente jongen, maar zonder scholing zou hij een ongeletterde boer blijven. De dichtstbijzijnde school lag op een afstand van zes werst.
‘Je hebt mij nog niet om geld gevraagd!’
‘Vergeten mijnheer’, zei hij schuldbewust, alsof hij iets belangrijks had nagelaten. Ik gaf hem meer dan de andere kinderen. Zijn ogen gingen glimmen.

– wordt vervolgd, zie deel 3 

De school (1)

In 1886 woonde Tchaikovsky voor het eerst in een eigen (huur)huis: ‘Ik woonde in Maidanovo, een dorp zo’n kleine twee werst van Klin, in de buurt van de spoorlijn tussen Moskou en Sint-Petersburg, in een charmant, schoon, gezellig en aangenaam huis. Ik was niet erg tevreden met de slaapkamer, maar dat stelde niets voor, want het huis als geheel was voortreffelijk.’

Tchaikovsky hield van wandelen en de omgeving van zijn nieuwe woning leende zich daar uitstekend voor. Maar zijn plezier verminderde bij de aanblik van het Russische landleven:

Deerniswekkend
‘De dorpsmensen leven hier in grote armoede. De huizen in het dorp zijn bouwvallig, klein en donker en als ik mij voorstel dat de dorpelingen daar acht maanden in moeten leven, zinkt de moed mij in de schoenen. Er is geen school. Het is deerniswekkend om de kinderen te zien, veroordeeld tot een constante en verstikkende melan­cholie. Ik zou iets voor ze willen doen, maar ik weet niet wat. Deze kant van het Russische landleven is niet aan­trekkelijk.’

– wordt vervolgd, zie deel 2

peasant-yard-1879

Ilya Repin – Boerenschuur, 1879