De première van Doornroosje

Op 16 januari 1890 ging Tchaikovsky’s ballet ‘Doornroosje’ in het Mariinsky Theater in St. Petersburg in première. Tchaikovsky schreef de muziek voor dit tweeëneenhalf uur durende ballet in ongeveer veertig dagen! Hieronder een fragment uit ‘De dood van Pyotr Ilyich’ over die bewuste uitvoering.

Januari 1890

Heel Sint-Petersburg leek uitgelopen om Doornroosje te zien. De zaal van het Mariinsky hing vol met prachtige blauwfluwelen draperieën en vulde zich met oogverblindendeDoornroosje-6 gardeofficieren en vrouwen met laag uitgesneden jurken, bij wie ik het liefst zo ver mogelijk vandaan bleef –  ik was bang om mijn blik te lang te rusten te leggen in dat blank gewelfde landschap met die verraderlijke afgrond in het midden. De menigte straalde en schitterde en bewoog als een zoetgeurend, veelkleurig orga­nisme, waarin de rode jassen en de witte kousen van de hofhouding, rijkelijk versierd met keizerlijke adelaars, het plechtige decor vormden van de tsaar en zijn gevolg.

Ik was zo gespannen als een vioolsnaar, maar toen de zaallichten doofden en Drigo, ziek maar alert, het orkest de ouverture liet spelen, haalde ik opgelucht adem omdat ik even niemand hoefde te groeten en het eindelijk zover was: de vrouw met wie ik een jaar had samengeleefd kwam vandaag tot leven, opwindend bezield door Carlotta Brianza, de prima ballerina met haar fijnbesnaarde dansen die zij met zó veel precisie danste dat een Zwitsers horloge erbij in het niet viel. Talrijke repetities had ik meegemaakt, maar nog nooit had ik het ballet zo gezien: de kleu­ren, het licht, de muziek, de beweging, het decor, de kostuums, alles paste naadloos in elkaar en voerde de kijker naar een andere wereld, want de betovering van dit ‘ballet-feérie’ was compleet. Met een opgeto­gen hart en tranen van ontroering zag ik werkelijkheid worden waar ik met zo veel liefde aan had gewerkt. Als Doornroosje een meesterwerk mocht worden, dan was het omdat aan Mozarts belangrijkste voorwaarde voor een meesterwerk was voldaan: liefde, liefde, liefde.

Vanuit mijn loge zweefde ik op de tast door de zaal en proefde de sfeer onder de mensen,Doornroosje luisterde naar de taal van hun applaus, keek naar de kleur op hun wangen, voelde het kloppen van hun hart. Zou de liefde van de makers daarin haar weg vinden? Al tijdens de proloog gebeurde er iets in het publiek: er zaten niet langer losse mensen die zich van elkaar wilden onderscheiden door een nog fraaier uniform of een nog duurder sieraad – er groeide een eenheid, een saamhorigheid, een meebewegen met de dans en de muziek, onder invloed van de eenheid en saamhorig­heid op het toneel en in de orkestbak. De balletomanen onder ons, ge­hecht aan de ballettraditie, sisten verontwaardigd en slaakten afkeurende kreten. Maar de meesten lieten zich meevoeren, keken met afgrijzen naar de zwarte fee in haar rattenwagen, treurden om de slapende prinses, hoopten op de knappe prins en – ik voelde het – hielden van mijn mu­ziek! De mensen klapten hun handen stuk, riepen om de sterren van het ballet en scandeerden ook mijn naam. Het was onvermijdelijk, ik moest daar verschijnen, ook al waren toejuichingen op het toneel wat ik het meest verafschuwde (en het vurigste wenste). Ik zorgde ervoor niet in mijn eentje op het podium te staan, maar steeds met Marius Petipa en Carlotta Brianza en de andere dansers, zodat ik mij achter hen kon ver­schuilen.

Toen de gordijnen voor de laatste keer dichtvielen, omhelsde ieder­een op het toneel elkaar, verrukt en blij dat het gelukt was. Vsevolozhsky kwam naar mij toe met tranen in de ogen. ‘Dit is mooi, dit is nieuw, dit is nog nooit vertoond… bedankt, Pyotr Ilyich, bedankt…’ Marius Petipa omhelsde zijn dochter Maria, de Lila Fee. Ik pakte de handen van Carlot­ta Brianza en dankte haar uit de grond van mijn hart voor haar briljante belichaming van Doornroosje. Iedereen bleef op het podium, niemand wilde zich losmaken uit deze groep, uit deze sfeer van opgetogen blijd­schap en intense verrukking omdat er vandaag een nieuwe wereld was geschapen, waarvan ook het publiek deel was gaan uitmaken. Honderd jaar slapen en dan herboren ontwaken – we hadden allemaal ondervon­den wat dat betekende, maar we waren ook allemaal doorgedrongen tot de slapende Doornroosje, hadden haar lippen beroerd met de onze, voelden ons hart opspringen toen haar ogen zich openden en verwon­derd de wereld in keken.

Advertenties

Fantastisch!

Als een lezer of lezeres je boek mooi vindt, krijg je soms hartverwarmend commentaar:

“Rondom de feestdagen heb ik het prachtige boek van Rien uitgelezen en ik wil hem daarvoor heel hartelijk bedanken. Het was prachtig! Het einde lijkt mij plausibel. Wat een enorme studie moet hieraan vooraf zijn gegaan! Fantastisch!”

Grote_ogen_opzetten

Waar…?

Waar is de nieuwe auteursfoto op de omslag van ‘De dood van Pyotr Ilyich’ eigenlijk gemaakt? Op een mooie zomermiddag poseerde ik tussen Lucas en Arthur Jussen voor de artiesteningang van het Concertgebouw in Amsterdam:

Artiesteningang-02

Flink inzoomen en daar staat Rien zonder Arthur en Lucas (sorry mannen!):

Auteursfoto

(met dank aan Paul Jussen voor het bedienen van de camera!)

Een nieuwe oplage

Schermafbeelding_kaft

Donderdag komt de nieuwe oplage van ‘De dood van Pyotr Ilyich’ binnen: de achtste(!) druk. Het uiterlijk van het boek is nogal veranderd:

  1. Rug en achterflap zijn rood in plaats van grijs.
  2. De auteursfoto is kleiner (en leuker) (lees hier waar de foto gemaakt is).
  3. Daardoor is er plaats voor een citaat uit de recensie van Olga de Kort: “Een moderne psychologische roman, met duistere familiegeheimen, onverwachte wendingen en verrassende interpretaties van bekende feiten.”
  4. De informatie op de achterflap is minder uitgebreid dan voorheen, waardoor de lezersreacties eerder aan bod komen.
  5. Daaronder een heel mooie reactie van de bekende musicoloog Leo Samama: “Wat de dood van Tchaikovsky betreft: het zou zomaar waar kunnen zijn! Een ware tour de force van auteur Rien Schraagen.”
  6. Onderaan bleef ruimte over voor een citaat uit het boek zelf: “Muziek kan je optillen en dragen waar je zelf niet de moed hebt om verder te gaan.”
  7. Op de rug is nu ook de naam van de uitgever vermeld: Heldertaal.

Op een manier die ik niet voor mogelijk had gehouden

LezenEen lezer reageert op ‘De dood van Pyotr Ilyich’:

Ik heb het boek met veel plezier gelezen. Het brengt de componist tot leven op een manier die ik niet voor mogelijk had gehouden. En daarmee heb je ook mijn interesse gewekt voor zijn muziek. Ik hou over het algemeen niet zo van symfonische werken en ook niet van opera. Maar met de geschiedenissen in m’n hoofd over het ontstaan van die stukken van Tchaikovsky luistert het heel anders, meer alsof je van de binnenkant meeluistert.

 

 

Twee romans, één thema

‘De dood van Pyotr Ilyich’ en ‘Kolja’ versterken elkaar – of niet?

Geschokt was ik om te horen dat Arthur Japin in zijn nieuwe roman schrijft over de dood van Tchaikovsky. Dat is toch mijn onderwerp, dacht ik. Raakt mijn roman nu helemaal ondergesneeuwd? Tegen een gevestigde auteursnaam en een uitgeverij kan ik nooit op.

Kramer+Van-Doorn-2

Boekhandel Kramer & Van Doorn in Zeist

 

Ik klaagde mijn nood tegen Eric van Doorn, boekhandelaar in Zeist. ‘Die twee romans versterken elkaar juist!’ sprak hij mij bemoedigend toe, en bestelde meteen zes exemplaren van ‘De dood van Pyotr Ilyich’. Hij zegde toe dat mijn roman naast ‘Kolja’ zou komen te liggen.

Vandaag trok ik de stoute schoenen aan en betrad Boekhandel De Boer in Baarn. ‘Willen jullie mijn roman verkopen?’ vroeg ik. ‘Dat vormt een mooie combinatie met die van Japin’, voegde ik eraan toe, de woorden van Eric van Doorn indachtig.

‘Integendeel!’ zei Gerda Aukes. ‘Wij zetten nooit twee romans over hetzelfde thema naast elkaar.’ Teleurgesteld verliet ik de winkel. Boeken verkopen blijft een vak apart. Een boek in eigen beheer uitgeven ook.

Overigens had Gerda Aukes wel de boektrailer bekeken. ‘De grote liefde van Tchaikovsky was een vrouw!’ zei ze. ‘Ach ja, waarom niet?’ zei ik. ‘Ja, waarom niet?’ zei ze.

Overtuigend

Een lezer schrijft:

“Ik ben inmiddels halverwege Riens boek , dat mij nog steeds zeer boeit. Hij moet zich geweldig verdiept hebben in dat leven van Tchaikovsky, het boek leest eigenlijk meer als een integratie van een levenskroniek en een roman, en het is erg overtuigend. Ik merk ook, dat als ik bij voorbeeld een presentator over de muziek en zijn componist hoor praten, dat ik bij mijzelf ook reageer als: ja, dat heb ik allemaal al in Riens boek gelezen. Nu is die Tchaikovsky ook wel een typisch romantische laat-negentiende eeuwer, compleet met kuuroorden en vlugzout. Ik denk dan, had Rien altijd geduld voor die componerende neuroot? Ik vind dat heel knap.”cartoon

De koning van de bloemen

Lelietje_van_dalenLieve vriendin,
Hou je van bloemen? Ik hou hartstochtelijk van ze, voor­al die in het bos en op het veld bloeien. Het lelietje-van-dalen beschouw ik als de koning van de bloemen; ik ben er gek op!

Dat schreef Tchaikovsky aan Nadeshda von Meck in het voorjaar van 1879. Hij schreef er zelfs een gedicht over, wetend dat hij als dichter niet veel voorstelde. Sommige biografen en musicologen lazen erin over erotiek en mannenliefde. Dat lijkt mij wat vergezocht, maar oordeel zelf.

“Op een avond vond ik mijzelf terug aan de schrijftafel, niet als componist of correspondent, maar als dichter. En waar kon ik anders over dichten dan over het lelietje-der-dalen:

Ik haast me naar het bos langs het vertrouwde pad
En zoek jouw witte, wassen bloem, je ranke blad.
Waar is het dat je bloeit in koele ochtenddauw?
Daar ben je! Opgewonden buk ik, pluk ik jou.

Zo begon mijn gedicht, en vol vuur schreef ik verder, regel na regel, versmaat na versmaat, in gedachten dwalend door het bos waarvan de bodem bedekt was met een tapijt van lelietjes-van-dalen. Wat te denken van het negende couplet:

Jouw geur is als een balsem voor mijn ziel
bedwelmt mijn zinnen als ik bij je kniel,
Adembenemend ben je, als muziek
Mijn wangen gloeien, ik heb geen repliek.

Toegegeven, het was geen hoogstaande poëzie. Maar al die meesters der dichtkunst – Pushkin, Shakespeare, Dante – konden mij nu even geen barst schelen: ik had een gedicht geschreven en ik was er trots op!”

De dood van Pyotr Ilyich, blz. 246

Tchaikovsky’s religieuze muziek

Naast symfonieën, opera’s, liederen, kamermuziek, pianostukken, symfonische gedichten heeft Tchaikovsky ook religieuze muziek gecomponeerd. Om te beginnen was hij zelf gefascineerd door de gezangen die hij hoorde als hij een kerk bezocht.

Een van de grootste genoegens

In 1877 schrijft hij aan Nadeshda von Meck: “De schoonheid van de kerk oefent nog steeds een grote aantrekkingskracht op mij uit. Ik ga heel vaak naar de mis; de liturgie van St. Johannes Chrysostomos is volgens mij een van de grootste kunstwerken. Ik hou ook heel veel van de nachtwake. Op zaterdag naar een of andere kleine oude kerk gaan; staan in het spaarzame licht met de geur van wierook om je heen; opgaan in jezelf, antwoorden zoe­ken op de eeuwige vragen: waarom, wanneer, waarheen, waartoe? Uit je overpeinzingen worden gewekt door het koor dat zingt ‘Ik strijd met vele hartstochten’ en jezelf toe­staan om opgetild te worden door de schitterende poëzie van die psalm, bezield te worden door een kalme extase als de koninklijke poorten geopend worden onder de klanken van ‘Prijs de hemelse Heer’ – oh, wat hou ik daar onbe­schrijfelijk veel van! Het is een van de grootste genoegens van mijn leven.”

Slappe aftreksels

Maar Tchaikovsky is ontevreden over bewerkingen van eeuwenoude liturgische muziek door kerkmusici als Bortnyansky. In de zomer van 1878 werkt hij aan zijn ‘Liturgie van St. Johannes Chrystostomos’, “onzeker als over één nacht ijs, pogend om de traditie, de heiligheid, de iconen muzikaal te omlijsten en terug te keren tot de kern van de kerkmuziek, die was vervreemd van haar oorsprong. Prutsers als Bortnyansky hadden de traditionele toonaarden van de kerkmuziek ver­laten en slappe aftreksels geproduceerd van de ooit zo vitale liturgieën. In deze kloosterkerk werd nog op volkse wijze gezongen, in de oude kerk­toonsoorten, zonder meerstemmigheid en verraderlijke versieringen. Ik hoopte vurig dat mijn liturgie zou lukken.”

Tussen hemel en aarde

In het Radio 4-programma ‘Tussen hemel en aarde’ werd aandacht besteed aan Tchaikovsky’s liefde voor religieuze muziek:

 

De dood

Begraafplaats-PetersburgHet waren emotionele maanden. Eind januari stierf mijn schoonzoon, zomaar, onverwacht, 37 jaar oud. Hij doofde uit, artsen konden niets uitrichten, op een zondagochtend om 10 voor 10 hield zijn hart ermee op. Het was een sombere ochtend, zwaarbewolkt, ik stond op de tennisbaan. Maar precies om 10 voor 10 brak de zon even door. Ik wist toen nog van niets.

Acht dagen later zaten we om het sterfbed van mijn moeder. Ze was al jaren ziek, longemfyseem, met nog maar weinig longinhoud ploeterde zij zich door haar benauwde bestaan. Maar op een maandag in februari, tegen de avond om half zes, blies ze haar verlossende laatste adem uit. Ik was bedroefd, maar blij dat ik bij haar mocht zijn in haar laatste uren. Hier mocht het leven zijn loop hebben, haar leven was af, ze was 86 jaar. Hoe anders dan de verbijsterende ervaring van de dood van mijn schoonzoon!

Tchaikovsky heeft veel mensen waar hij van hield, zien sterven. Zijn moeder toen hij 8 jaar was, aan cholera. Een goede vriend van hem die de hand aan zichzelf sloeg. Het volgende fragment gaat over de dood van zijn vriend en leerling Josef Kotek, de violist die Tchaikovsky’s Vioolconcert niet uit durfde te voeren. Kotek lijdt aan tuberculose en wordt opgenomen in een sanatorium in Davos. Tchaikovsky bezoekt hem daar, spreekt met hem en met de arts. Na een week voelt hij: ik moet naar huis, ik hou dit niet meer vol.

“Zou Joseph Kotek sterven? In elk geval was zijn toestand ernstig; de artsen maakten zich nog meer zorgen over zijn keel dan over zijn longen. Ik gaf hem geld en hielp hem zo veel ik kon, maar na zes dagen had ik het gevoel dat ik zelf zou sterven als ik hier bleef. Ik vertelde Joseph dat ik wilde vertrekken.

‘Ga je weg?’ Bedroefd keek hij mij aan. De hoest liet hem even met rust.

‘Als ik hier langer blijf, ben ik waardeloos voor jou. Als ik wegga, laat ik je in de steek. Wat moet ik doen?’

‘Je moet gaan, Petya. Je hebt me gelukkig gemaakt deze week, ik mag niet meer van je vragen.’ Hij pakte mijn handen. ‘Besef je dat we elkaar nu nooit meer zullen zien?’ Abrupt stond hij op en liep naar zijn viool­kist, pakte zijn viool eruit en wreef haar met lome bewegingen zorgvuldig op, alsof hij haar liefkoosde.

‘Een viool lijkt op een vrouw. Je moet haar liefkozen, strelen en ge­lukkig maken, zodat ze gaat zingen.’ Hij legde de viool onder zijn kin en tokkelde aan de snaren. Toen hield hij haar met twee handen voor zich, kuste het instrument en legde het in de vioolkist. ‘En goed opbergen, zodat andere mannen er niet bij kunnen.’ Hij sloot de kist en keek mij aan. ‘Wil jij hem meenemen? Ik zal hem niet meer nodig hebben.’

‘Maar Joseph, ik speel geen viool…’ Ik begreep dat ik getuige was van een afscheid.

‘Doe ermee wat je wil. Je mag hem houden, als aandenken aan een vriend. Je mag hem ook weggeven aan iemand die haar waard is.’ Hij reikte mij de vioolkist aan. We vielen elkaar in de armen.

Partir, c’est mourir un peu, zeggen de Fransen. Dat je een beetje kunt sterven is het voorrecht van de levenden. Maar hoe moet je afscheid nemen als er geen weerzien meer is? Het laatste wat ik van hem hoorde toen ik zijn kamerdeur sloot, was een heftige hoestbui, gesmoord in een zakdoek.

Terug in Moskou kreeg ik een telegram. Joseph Kotek was dood, ge­storven aan een longontsteking. Dus toch pneumonia. Ik zette zijn viool­kist open op tafel, herlas zijn brieven en huilde.”