Fragmenten

Nadezhda_von_MeckTchaikovsky ontmoet Nadeshda von Meck

Nadeshda Filaretovna von Meck, een rijke weduwe in Moskou, geeft Tchaikovsky componeeropdrachten en schrijft hem brieven: “Ik heb ernaar verlangd om kennis met u te maken. Maar nu ik steeds meer door u gefascineerd raak, ben ik bang u te ontmoeten. Ik voel dat ik niet in staat zal zijn om met u te praten.”

Voorjaar 1877

Zij schreef dat ze mij niet wilde ontmoeten. Ook dat kon ik haar nazeggen, maar tegelijkertijd werd ik onweerstaanbaar naar haar toe­getrokken, een drang die sterker was dan mijn verlegenheid. Onderweg naar haar  huis vertraagde mijn pas en nam ik mij voor om morgen te gaan. Tal van uitvluchten passeerden mijn gedachten, maar ik bleef lopen, totdat ik, toch nog onverwacht, voor haar huis stond.

Het dienstmeisje schudde haar hoofd. ‘Mevrouw Von Meck ontvangt niemand.’

Ik kon nog terug.

‘Wilt u haar mijn naam noemen?’ vroeg ik.

Het meisje liet mij binnen in de hal en verdween. Het houtwerk en het marmer waren prachtig en ik kreeg gelegenheid genoeg om ze te bewonderen, want het meisje verscheen pas weer na lange tijd. ‘Wilt u mij volgen?’

Ik werd binnengelaten in een schemerig vertrek, spaarzaam gemeubileerd met een bed, twee stoelen en een kamerscherm. Nog nooit had iemand mij ontvangen in een slaapkamer. Het was stil, buiten kwam een koets met paarden voorbij. Ik liep naar het raam en keek naar buiten.

Achter het kamerscherm hoorde ik geritsel van stof, zijde onge­twijfeld, het ruiste zoals alleen zijde kan ruisen. Ik draaide mij om. In het schemerige licht zag ik een lange, smalle gestalte, bijna even lang als ik.

Daar stond Nadeshda Filaretovna von Meck.

De zijden jurk glansde zacht. Kleine sieraden aan haar oren lichtten op. Maar het enige wat ik zag waren haar ogen, haar ernstige blik vol verdriet, melancholie, verholen hartstocht, meisjesachtige nieuwsgierig­heid. Kun je ogen lezen? Misschien wel niet, maar door haar ogen leek ik naar binnen te kunnen kijken, zag ik deze trotse vrouw in haar kwets­baarheid en eenzaamheid.

We stonden lang tegenover elkaar, zonder woorden, gevangen in elkaars blik. Toen stak zij haar hand uit. Ik gaf haar de mijne. Zij zuchtte, ik voelde een lichte siddering in haar hand. Mijn lichaam begon zacht te trillen.

‘U bent toch gekomen?’

Ik knikte en wist niet of ik haar hand vast moest blijven houden. ‘Als u mij niet wilt zien, val ik u niet langer lastig.’

De dood van Pyotr Ilyich, blz. 153 e.v.

(c) Rien Schraagen

Storm

In 1891 vaart Tchaikovsky per schip naar Amerika om te dirigeren bij de opening van Carnegie Hall (toen nog ‘Music Hall’ LaBretagnegeheten). In de Nieuwe Wereld beschouwde men hem als de grootste componist van zijn tijd. Op de Atlantische Oceaan raakt het schip in een vliegende storm terecht.

Toen we twee dagen onderweg waren, werd de zee onstuimig. De wind wakkerde aan tot een storm. Passagiers die de oceaan al vaker over­staken, verblikten of verbloosden niet en de kapitein en zijn manschap­pen spraken over de storm als over de gewoonste zaak van de wereld. Mijn maag golfde mee met de zee. Nog nooit van mijn leven was ik zee­ziek, maar ik had ook nog nooit een oceaan bevaren. Ik was misselijk, kon geen hap door mijn keel krijgen en leefde op koffie en brandewijn. Er was geen ontkomen aan: ik was zeeziek!

Ondanks mijn misselijkheid genoot ik van de enorme golven, een zich steeds vernieuwend berglandschap met schuimige toppen en lood­grijze dalen. Maar hoe harder het ging stormen, hoe beroerder ik mij voelde en hoe banger ik werd dat we zouden vergaan. De avond van de vierde dag zwol de storm aan tot een orkaan. Tot overmaat van ramp werd mijn portemonnee uit mijn hut gestolen. Ik vermoedde dat de garçon het had gedaan. De purser hing een briefje op met een oproep aan de eerlijke vinder, maar ik wist zeker dat er een dief in het spel was. Ge­lukkig had ik nog geld in mijn koffer.

De nacht was verschrikkelijk. Het schip werd zo heftig heen en weer geslingerd en kraakte zo hartverscheurend, dat het leek te breken. Slapen was onmogelijk; ik zat op de rand van mijn kooi en probeerde niet na te denken – maar hoe kun je stoppen met denken als je omringd wordt door het gekreun en gekraak van een zieltogend schip en de wanhopige huil van de storm? Steeds richtte het schip zich weer op en smakte met een enorme klap stuiptrekkend neer; de schroef brulde weerzinwekkend als hij uit het water kwam. Er wordt beweerd dat verdoemden in een eeuwig vuur moeten branden, maar het zou mij niet verbazen als de hel eruit ziet als dit hulpeloze schip, eeuwig laverend in een helse orkaan, een schip dat steeds bijna vergaat en nooit ergens aankomt.

Lange tijd zat ik zo in mijn hut. Wat er in mij omging was net zo chaotisch als de wilde golven van de zee: herinneringen, angsten, doods­gedachten schoten als vleermuizen door mijn hoofd, zonder richting of doel. Uren gingen voorbij.

Eindelijk werd de storm zwakker; de wind luwde en zijn gefluit klonk minder afschrikwekkend. Ik viel zittend in slaap tussen mijn koffer en de wand van de hut. Om vijf uur ’s nachts ontwaakte ik, merkte dat de storm voorbij was, kroop in bed en viel in een diepe, vredige slaap, alsof ik een hoge koorts had overwonnen. ’s Morgens vertelde de kapitein dat we een zeldzaam zware orkaan hadden overleefd.

Het weer verbeterde. Om twee uur stapte de langverwachte loods aan boord die ons over 24 uur de haven van New York binnen zou loodsen. Ik was erg blij dat de oversteek nu bijna was afgelopen. Nog langer op dit schip blijven zou ondragelijk zijn, want op de vijfde dag werd ik herkend. Als snel wist iedereen wie ik was en wilde met mij praten en verwachtte dat ik wat zou spelen op de gammele piano. Alleen in mijn hut was ik nog veilig.

New York kwam in zicht. Ik was jaloers op het enorme Vrijheids­beeld, dat mocht blijven staan waar het stond en niet aan land hoefde te gaan om kennis te moeten maken met allerlei mensen met huizenhoge verwachtingen. Ik was nerveus en bang voor wat komen ging en wist één ding zeker: ik had nooit aan deze reis moeten beginnen!

De dood van Pyotr Ilyich, blz. 465-466

(c) Rien Schraagen

Het Pianotrio van Tchaikovsky

Voorjaar 1882nikolay_rubinstein

‘Ter nagedachtenis aan een groot kunstenaar’ staat er op het titel­blad. Het pianotrio is af, beste Nikolay Grigoryevich Rubinstein. Wat had ik je graag de pianopartij zien spelen tijdens de première. Je zou het stralende middelpunt zijn geweest, jouw virtuositeit had de toehoorders als altijd versteld doen staan. Jij kon de toetsen betoveren met de vingers die nu in de koude aarde liggen weg te rotten. Dood, gruwzaam woord, schreef Pushkin. Nu pas dringt het langzaam tot mij door: je bent er echt niet meer, de gedachte dat je op een dag weer voor de deur staat is ver­bleekt en heeft plaatsgemaakt voor een vijandige leegte. Met dit trio probeer ik je een plaats te geven onder de levenden, een plaats in mijn leven na jouw dood.

Hoe werkt dat in het dodenrijk – heb jij nog enig idee wat er hier op aarde gebeurt? Vang je mijn gedachten op? Hoor je de muziek die ik voor jou heb gecomponeerd? Ik wou dat je mij raad had kunnen geven – een pianotrio is iets nieuws voor mij en er zijn veel maten waar ik zo mijn twijfels over heb. Nu heb ik Taneyev en zijn collega’s gevraagd om de ongerijmdheden op te sporen.

Op 23 maart hebben zij het trio gespeeld, precies een jaar na jouw dood. Taneyev zei dat hij nog nooit met zo veel plezier een nieuw stuk had ingestudeerd. Je begrijpt dat zijn woorden mij goed deden. Jij was altijd minder gul met complimenten, zacht gezegd. Daarom heb ik niet altijd begrepen hoezeer je mij steunde en – ik durf het voor het eerst tot mij door te laten dringen – misschien wel bewonderde.

Het stuk eindigt met de wegstervende piano, zoals jij verstierf, stokte als een muziekstuk dat niet af is. Mijn trio viert de vreugde waarmee jij piano speelde (zoals in de mazurka, een van mijn favoriete variaties) en treurt om jouw dood. De dood van een vriend, dat heb ik nu wel be­grepen.

De heer Flerov, je weet wel, de muziekcriticus van de Moskou Gazet, schreef er een recensie over. Ik kan niet geloven dat iemand hem verteld heeft dat de variaties in het trio episodes uit jouw leven verbeelden. Dit briljante idee moet uit zijn eigen koker komen. Maar het is wel uitermate grappig, vind je niet? Je schrijft muziek zonder in de verste verte iets te willen portretteren en plotseling hoor je dat je het bij het verkeerde eind hebt en dat de muziek wel degelijk iets uitbeeldt.

Iets waarnemen wat er niet is, daar is de heer Flerov trouwens erg goed in. Toen ik in Italië was, heeft hij een stuk gepubliceerd waarin hij mij augurken liet winnen bij een loterij op de Piazza Navona in Rome. Lach niet! De dag erna liet hij mij zeggen dat de augurken uitstekend van smaak waren. Eén: dit is nooit gebeurd. Twee: wie had het interessant gevonden als het wél was gebeurd? Drie: is het geoorloofd om iemand ongevraagd publiekelijk ten toon te stellen wiens uitdrukkelijke wens het is dat hij door niemand wordt opgemerkt?

Jij bent de critici ontvlucht, Nikolay Grigoryevich. Dat moet een ge­ruststellende gedachte zijn, al had ik liever gezien dat jij nog bij ons was en dat zij in hun zure pis lagen gaar te koken. Ze hebben niet begrepen dat jij een groot kunstenaar was. Ik wel en velen met mij. Maak je geen zorgen, lieve vriend: wij vergeten je niet.

De dood van Pyotr Ilyich, blz. 282-283

(c) Rien Schraagen

Advertenties

2 gedachtes over “Fragmenten

  1. Pingback: Het Pianotrio van Tchaikovsky | De dood van Pyotr Ilyich

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s